Ontvang gratis dialoog tips

Welke bestuurder wil vandaag de dag niet in contact zijn met de samenleving? Of anders gesteld, zijn er nog bestuurders die lak hebben aan wat een participatieve samenleving van hen vraagt? 

Er zullen niet veel mensen zijn die nog voorbeelden hebben van bestuurders die helemaal niets van de samenleving willen hebben. Of van bestuurders die het politieke mandaat opvatten als een legitimatie om vier jaar ongestoord hun programma uit te voeren. Bestuurders die alleen maar naar hun eigen politieke achtergrond willen luisteren zijn toch zeker ook uitgestorven?

Nee, gelukkig hebben we dit ver achter ons gelaten. We kunnen dus met een gerust hart vooruit kijken en werken aan de kwaliteit van de interactie tussen samenleving en bestuur. En dan wordt het beeld toch wel wat gevarieerder. In hoofdlijnen zou je vier soorten bestuurders kunnen onderscheiden als het om interactie gaat. 

  1. De “ik-heb-u-gehoord-bestuurder” kent (bij ons weten) in Gerrit Brokx zijn laatste vertegenwoordiger tijdens de inspraaksessies over de Betuweroute.Gerrit Brokx zat toentertijd achter een tafel en insprekers stonden achter een microfoon tegenover hem, met de tranen in hun ogen, uit te leggen dat ze niet konden leven met het gekozen tracé. Na hun verhaal was het enige dat Gerrit Brokx kon zeggen met zijn karakteristieke krakende stem: “Ik heb u gehoord. Volgende inspreker alstublieft” . Zo open en bloot bestaan ze niet meer, maar als je goed kijkt en luistert?
  2. De “ik-zal-het-nog-één keer uitleggen bestuurder”. Ze zijn zo goed als uitgestorven, maar hier en daar kom je er nog wel eens een in het wild tegen. En de laatste tijd lijken ze door tijdsdruk ook weer wat talrijker te worden. Vooral in gemeenten waar de Raad en/of het College heeft besloten dat er een opvang voor asielzoekers moet komen. Het beleid is vaak binnenskamers gemaakt en geformuleerd. De communicatieafdeling krijgt de opdracht om het draagvlak voor het beleid te gaan “creëren”. En zoals we rond asielzoekersvraagstukken toch weer regelmatig zien, wordt een grote groep inwoners in een zaaltje geleid. In het zaaltje staat vooraan een lange tafel waarachter het bestuur plaats neemt en vanachter deze tafel uitlegt wat het in haar wijsheid heeft besloten. De zaal komt in opstand en het bestuur legt het besluit nog een keer uit. Waarschijnlijk omdat er op dat moment geen ander repertoire is of omdat ze oprecht denken dat de zaal niet begrijpt wat ze vertellen.
  3. De “met-koude-handen-melken-bestuurder”. Deze bestuurder weet dat hij eerst goed moet luisteren. Deze bestuurder laat (vaak weer door de communicatieafdeling) bedenken hoe je zoveel mogelijk wensen, ideeën en gedachten uit de samenleving ophaalt. Na deze vaak grootschalige actie, gaan de deuren weer dicht. Binnenskamers worden de reacties en ideeën geanalyseerd, geordend en verwerkt. Er worden thema’s gedestilleerd en benoemd. Onder de thema’s komen speerpunten te hangen en die worden vervolgens uitgewerkt in actieplannen. Onze bestuurder denkt nu dat het draagvlak vervolgens peanuts zal zijn, want hij heeft vooraf immers goed geluisterd. Dus hij gaat goedgeluimd op pad om de resultaten aan de samenleving te presenteren. Maar wie schetst zijn/haar verbazing als blijkt dat er veel weerstand komt en dat niemand herkent dat er een relatie is tussen wat ze eerder hebben verteld en wat er nu aan plannen op tafel ligt.
  4. De “Ik-wil-écht-contact-met-de-samenleving-bestuurder”. Deze bestuurder gaat met een vraag of een probleem naar buiten. Deze vraag neemt hij mee uit zijn politieke programma dat tot stand is gekomen in samenspraak met partijleden en samenleving. Hij of zij gaat in gesprek met betrokkenen en vormt steeds beter zijn gedachten over het probleem of zijn vraag. Is het een relevante vraag? Is het probleem wel een probleem? Al pratende legt hij verbanden tussen verschillende groepen die elkaar kunnen helpen bij hun belangen. Daar waar nodig ondersteunt hij met (het opruimen van) regelgeving, politiek lobbywerk en in het uiterste geval financiële injecties. Het probleem of de vraag verandert langzaam in een maatschappelijke beweging. De vraag naar draagvlak is volstrekt irrelevant omdat de beweging maatschappelijk wordt geïnitieerd.

Welke bestuurders ken jij? En hoe adviseer jij deze bestuurder als hij/zij jou komt vragen om draagvlak? In onze praktijk komen wij alle vier bestuurders en combinaties in één persoon tegen tegen.

Tips:

  • Zorg dat je nooit een lange tafel met bestuurders voor een zaal zet. Nog steeds komt dit met enige regelmaat voor en het is een garantie voor problemen. Er zijn verschillende (sociaal) psychologische processen die leiden tot boosheid, groepsvorming en onverzettelijkheid. Niet bepaald het juiste uitgangspunt voor draagvlak.
  • Het beste advies is altijd: ga de dialoog aan! In welke fase van beleidsontwikkeling deze bestuurder ook is).Het is nooit te laat om de dialoog aan te gaan. Ook als het besluit al genomen is. Want wat is “het besluit” ? Net als voortschrijdende beleidsontwikkeling is er ook voortschrijdende besluitvorming of kan er door dialoog anders uitvoering aan een besluit  gegeven worden.
  • Bereid een dialoog met bestuurders voor met stakeholders die de verschillende stemmen, de verschillende zienswijzen met betrekking tot de vraag inbrengen. Zoek uit wat de zienswijzen zijn, wie ze vertolkt. Zijn er geluiden die er wel zijn maar nog niet worden gehoord? Dit vraagt om een actieve zoektocht naar en het bij elkaar brengen van stakeholders. NB: burgers zijn ook stakeholders!
  • Als een bestuurder de dialoog (liever) niet wil voeren, ga de dialoog met hem/haar aan. Ga in gesprek (niet in de overtuigingsmodus) over de terughoudendheid, over zijn/haar kijk op dialoog en participatie en zoek daarin de grenzen op. Bespreek scenario’s. Ook scenario’s over “wat als we de dialoog niet aangaan”? Dan kan je altijd nog opnames laten zien van uit de hand gelopen inspraakavonden. Hoewel dit ook geïnterpreteerd kan worden als: zie je wel participatie werkt niet, omdat inspraak (bewust en onbewust) nog steeds wordt verward met participatie en dialoog. Dus dit laatste is misschien niet zo’n goeie tip.
  • Wees glashelder over het gegeven dat dialoog en participatie niet een opeenstapeling van wensen is waarbij iedereen denkt dat alle wensen een plek (moeten) krijgen en jij de verzamelaar bent van de ideeën en de onmogelijk en onwenselijke taak hebt te stapelen of te verdedigen waarom iets niet kan. Ook daarom is het van belang de diversiteit aan stakeholders rondom een vraagstuk bij elkaar te brengen (dan ziet men het hele speelveld en heeft men ook meteen door dat men niet de enige is) en binnen de kaders van het vraagstuk met elkaar in gesprek te laten gaan over de vraag en de oplossingen.
  • Wees niet bang: participatie en dialoog is niet alleen effectief (mits zo oprecht mogelijk geïnitieerd, goed voorbereid en goed begeleid), heel vaak horen wij achteraf  “het was nog leuk ook”. Geen boze bewoners, geen dreigende belangengroepen en organisaties, geen miskende (project) partners. Wel mensen die serieus genomen zijn om wat zij bij te dragen hebben.
  • Als je  je ongemakkelijk voelt of toch iets van koud watervrees voelt: ga het niet uit de weg. Ga na wat je nodig hebt om de dialoog en de participatie toch aan te gaan.
Er valt hier nog veel meer over te zeggen en we weten zeker dat de lezers van dit artikel ook hun eigen gedachten op dit punt hebben. We zijn erg benieuwd naar jullie reacties! Je kunt reageren met een reply op deze mail of in de reactieruimte bij dit artikel op onze website: www.dialoogisch.nl.
2017-09-05T11:36:22+00:00 21 juli 2017|0 Reacties

Geef een reactie