Ontvang gratis dialoog tips

Hoe zorg je ervoor dat deelnemers ook op zichzelf reflecteren?

De overheid kampt vaak met een groep mensen die een diepgeworteld wantrouwen koesteren jegens deze overheid. “Not in my backyard” of “je moet goed voor jezelf zorgen, want de overheid doet dat niet”. Dat zijn de uitspraken waar je dan als overheid mee te maken krijgt. Het startpunt van een dialoog….op z’n zachtst gezegd frustreert dit de verdere voortgang van het gesprek. Elke deelnemer blijft alleen maar redeneren vanuit zijn of haar eigen belang, zonder ook maar één keer de eigen overtuigingen ter discussie te stellen.

Het gevolg is dat een gesprek het niveau van “hakketakken” maar niet kan overstijgen. Binnen veel overheidsorganisaties leidt dit beeld al snel tot een andere overtuiging: “het maakt niet uit wat we doen, het is toch nooit goed”. En in een gesprek stappen met deze overtuiging helpt niet het gesprek weer vlot te trekken.

Zo hadden wij een keer een deelnemer in een groep die was uitgenodigd om mee te praten over de inrichting van een recreatiegebied. Hij had zich helemaal vastgebeten in zijn wantrouwen t.o.v. de provincie. Iedere keer als hij een document onder ogen zag van deze provincie, ploos hij de tekst uit op fouten…. kleine en grote. En omdat er gewone mensen werken bij deze provincie, maken ze daar ook gewone fouten. Kortom er staat altijd wel een fout(je) in een document. De betreffende meneer gebruikte deze foutjes steeds weer om aan te voeren dat een gesprek zinloos was. De provincie probeert toch steeds de burgers te belazeren.
Dit wantrouwen stagneert het proces, waar de andere deelnemers de dupe van worden. Iedereen wilde graag hun recreatiemogelijkheden uitbreiden, maar deze meneer hield de voortgang tegen.
De kernvraag die hier naar voren komt is: hoe zorg je ervoor dat deelnemers in een proces óók zelfreferent worden? Met andere woorden hoe breng je ze zo ver dat ze ook kritisch naar zichzelf gaan kijken? Een procesbegeleider neemt zijn eigen professionele bagage mee om door goede vragen en goed getimede interventies de zelfreferentie van de deelnemers te vergroten.

Maar ook elk procesontwerp dat wij maken wordt getoetst op het vermogen om deelnemers zelf-referenter te maken. De werkvormen die we gebruiken dragen steeds bij aan de mogelijkheid tot zelfreferentie.

De belangrijkste mogelijkheid om dit voor elkaar te krijgen, ligt bij de andere deelnemers. Iedere vertegenwoordiger van de overheid of opdrachtgever is bij voorbaat al “verdacht”. Dus moet je ervoor zorgen dat andere deelnemers zich gaan uitspreken tegenover één of meerdere andere deelnemers die het proces frustreren.

En om dat mogelijk te maken moet je allereerst legitimeren dat deze feedback ook wenselijk is. De beste manier om dit te doen is het opnemen van een zelfreferent deel in de openingsvraag. Je kan bijvoorbeeld de volgende openingsvraag stellen: “Welke voorzieningen zijn wenselijk voor recreatie in de Wollefoppenpolder en welke bijdrage kan ík daaraan leveren?” Het laatste stukje van de vraag nodigt gemakkelijk uit om te vragen: “en wat doe jij er dan aan?”. Of de feedback: “jouw bijdrage is dat je de boel afremt. Hoe kan je nu helpen?”.

Een ander krachtige mogelijkheid is het instellen van “commentatoren”. Elk klein groepje dat in gesprek is met elkaar krijgt een aantal commentatoren bij het gesprek. Deze mensen nemen geen deel aan het gesprek maar kijken alleen maar wat hen opvalt in een gesprek. Gedurende het gesprek krijgen zij één of twee keer de gelegenheid om feedback te geven op het gesprek. Zij kunnen dan aanvullen op de inhoud, maar óók op het proces. Commentaar kan dan bijvoorbeeld zijn: “Ik hoor deze meneer steeds weer hetzelfde verwijt maken. Daarmee herhaalt het gesprek zich steeds. Wat kunnen jullie daaraan doen?”.

Tips:

  • Zorg dat in de openingsvraag reflecterende vragen worden gesteld: “wat kan ík er aan bijdragen?”
  • Zorg dat het “not in my backyard” benoemd wordt door daar in een voorstelronde al naar te vragen.
  • Zorg dat deelnemers kunnen reflecteren op zichzelf door bijvoorbeeld commentatoren op te nemen in de werkvormen.
  • Als je wantrouwen of frustrerend gedrag opmerkt, benoem het zo neutraal als mogelijk:”Ik krijg de indruk dat je het niet vertrouwt. Zie ik dat goed?”
  • Wees niet bang een deelnemer te confronteren: “Wat is er nodig om jou vertrouwen te geven?” of in het uiterste geval: “wat is jouw drijfveer om deel te nemen aan dit gesprek als je de andere deelnemers niet vertrouwt?”
  • Zorg er steeds voor dat iedere deelnemer gelijkwaardige positie heeft in het gesprek. Daarmee voorkom je dat één deelnemer het podium krijgt om constant zijn eigen frustraties te ventileren.
  • Zorg er altijd voor dat de frustraties en het wantrouwen er wél mag zijn. Niets is zo belemmerend als onzichtbaar wantrouwen.
  • …….

In het voorbeeld van hierboven hebben we deze meneer allereerst laten uitleggen waar zijn wantrouwen op was gebaseerd. Vervolgens heeft een verantwoordelijk ambtenaar excuses aangeboden. Toen bleek dat het excuus nog niet leidde tot een constructieve bijdrage, traden andere deelnemers corrigerend op: “nu moet je een keer ophouden, we willen verder”.

Het is van belang dat er binnen een dialoog voldoende ruimte voor zelfreferentie is. Elke deelnemer moet aangesproken kunnen worden op zijn bijdrage aan het eindresultaat.

Er valt hier nog veel meer over te zeggen en we weten zeker dat de lezers van dit artikel ook hun eigen gedachten op dit punt hebben. We zijn erg benieuwd naar jullie reacties! Je kunt reageren met een reply naar deze mail of in de reactieruimte bij dit artikel op onze website: www.dialoogisch.nl.

2017-09-05T11:54:21+00:00 30 juni 2017|0 Reacties

Geef een reactie